Een praktisch gerichte invulling van het klinisch redeneren: gebruik maken van wat je weet van de ziekteleer om snel, rechtstreeks op de ideeën te komen die je nodig hebt.
[printvriendelijk...]
De achtergrond
We kiezen ter instructie de volgende lijn (er zijn er meer denkbaar).
Er zijn in de generieke fase 11 vragen waar de student zich mee bezighoudt in de ziekteleer op school. In de specifieke fase komen er dan nog enkele vragen bij.
De generieke vragen kan men in drie groepen onderverdelen:
- vragen naar aanleiding van dossierkennis, vooraf aan de zorgsituatie zelf. De schetsen die we voor de workshop verzamelen / ontwikkelen bevatten genoeg gegevens.
- vragen naar aanleiding van de uitvoering van de basiszorg bij/ het contact met/ het observeren van de zorgvrager
- vragen naar aanleiding van nieuwe situaties die zich voordoen
A. Start: vragen naar aanleiding van dossierkennis
Wat zegt het zorgdossier over bestaande diagnoses en stoornissen, en wat kan de student daar zelfstandig uit afleiden?
- 1. wat voor soort ziekte / stoornis staat beschreven?
- 2. welke symptomen mag men op grond daarvan verwachten?
- a. welk objectief symptoom correspondeert met welk subjectief symptoom en omgekeerd?
- b. hoe ontstaan deze symptomen? Welk mechanisme ligt er aan ten grondslag?
- 3. welke complicaties liggen in de lijn der verwachting?
- 4. welke behandeling, met name medicamenteus, is ingesteld? Het gaat hier om zeer globale medicatiekennis, alleen over sommige soorten medicijnen. Bijvoorbeeld: als een antibioticum wordt gebruikt, kan men rekening houden met maag-darmklachten. Het gaat vooral om logisch te verklaren dingen.
B. De verwachte situatie: vragen naar herkenbaarheid van verzamelde gegevens in de zorgsituatie
In hoeverre komt men tegen wat men verwacht tegen te komen?
- 5. passen de beschreven (waargenomen) subjectieve en objectieve symptomen bij het bestaande beeld?
- 6. welke beperkingen komen voort uit deze symptomen?
- 7. welke zorgbehoefte hangt samen met deze beperkingen?
Vraag 6 en zeker vraag 7 horen tot het domein van de verpleegkunde; vanuit de AFP kan daar alleen maar een heel voorlopig antwoord op gegeven worden.
C. Een nieuwe situatie vragen bij verandering in de situatie – nieuwe symptomen
Bij het optreden van nieuwe ziekteverschijnselen kan de student zich in ieder geval afvragen:
- 8. bij welk orgaan / orgaanstelsel hoort dit mogelijk?
- 9. wat voor soort verstoring zou het kunnen zijn?
- 10. welke aanvullende gegevens verzamelt men op basis van de antwoorden op vraag 8 en 9?
- 11. bij verstoringen in de vitale functies: welke mogelijke gevaren ken je op basis van de antwoorden op vraag 8 en 9?
De AFP-workshops bouwen als volgt op:
workshop 1: vraag 1, 2, 5, (6), 8 en 9; workshop 2 voegt vraag 3 en 10 toe: workshop 3 en 4: vraag 1, 2, 3, 4, 5, (6), 8, 9, 10 en 11
eenvoudige voorbeelden, los van casus
Sleep de teksten naar de juiste plek.
aan de hand van casus
Voorbeeld 1: [klik hier .... nieuw venster]
Voorbeeld 2: [klik hier .... nieuw venster]
samen ontwikkelen
Op verzoek ontwikkel ik in nauw overleg met afdeling, leerwerkplaats of praktijkopleiding aan de hand van uw eigen casuïstiek vergelijkbare modellen voor kennis- en cognitieve training.